Hier vind je gedichten en verhalen van lezers van de Lemniscaatkrant. Soms zijn het inzendingen naar aanleiding van een wedstrijd, soms niet.

Stuur je inzendingen naar club@lemniscaat.nl

Winnend gedicht Kunst kijken, kunst schrijven

‘Ik heb een kado voor jou!’
‘Wat is het: een gebouw?’
‘Is het zo duidelijk dan?
O. Maar nee, het is veel méér dan dat.’
‘Het is toch niet de Rijksdag
want die heb ik al
gekregen van een kunstenaar
die in een gekke bui
met doeken en zijn lieve vrouw
het ding heeft ingepakt.
Maar meenemen mocht niet
want het was niet van mij,
het was van het landschap,
de hoofdstad Berlijn.
Dus nee, niet wéér de Rijksdag
want die heb ik al.
En wat heb ik aan een oud gebouw?
Ik heb liever jou.’Verkoudheid, griep, het heerst allemaal.
Ook gebouwen hebben wel eens last van een kwaal.
Mensen duiken dan in bed.
Een gebouw wordt gehuld in waden van stof,
eventjes is het niet meer te bereiken voor het hof.
Vrolijk en gezond wordt het later uit de doeken gedaan,
en kan het weer veilig ‘manen’ in het licht van de maan.

Puck Visser

De geest dwaalt

We waren op vakantie in de Pyreneeën. Nijdig zat ik achterin te staren naar het bos even verderop. Band lek, en mijn ouders, koppige Friezen die ze waren, hadden niet eens Engels geleerd. In het Nederlands konden ze een paar woorden zeggen, maar verder dan: ‘Doe mij maar vier patat’ waren ze ook nog niet gekomen. Frans konden ze al helemaal niet, laat staan Spaans.
‘Spreken ze hier ook nog een andere taal?’ vroeg mijn moeder.
Mijn vader probeerde de band eraf te krijgen, maar hier, op dit afgelegen stille sluipweggetje bedekt met een meter sneeuw, hielp zijn getrek evenmin als wanneer je blaast tegen een vol glas melk.
‘Avita, had jij nou maar beter opgelet in de les, dan wist je nu wat voor talen ze hier spreken en kon je ons helpen,’ zei mijn moeder.
‘Ik zit pas in de eerste, hoor!’
‘Ho ho ho, dametje,’ riep mijn vader. Ergens ver weg huilde een wolf. Rillend keek ik naar de volle maan. Ik dacht aan het horrorboek dat ik net uitgelezen had. Mijn zusje Fraukje schurkte zich tegen me aan en haar mollige armpjes pakten mijn gezicht vast. Ik kreunde.
‘Tjeerd,’ zei mijn moeder, ‘laten we in de auto gaan zitten, ik vertrouw die wolven niet.’
‘Ach joh, die nieuwe band eventjes erop zetten en dan rijden we zo weer verder.’
Rusteloos ging mijn moeder in de auto zitten. Mijn vader was uitgeput en dat ‘eventjes’ had hij beter weg kunnen laten. Weer huilde een wolf. Ik sloeg Fraukje van me af en keek naar buiten. Tussen de donkere bomen zag ik een schaduw en nog één.
‘Pap, wolven!’ riep ik. Mijn vader stapte vlug de auto in.
‘In de auto kunnen ze niets doen,’ zei hij om ons gerust te stellen. Ik graaide naast me, maar de bank was leeg. Fraukjes deur stond open. Ik zag even de geest dwalen, vlug deed ik hem dicht. Voor onze auto kroop een klein, wit mormel door de sneeuw. Toen besefte ik het pas.
‘Fraukje…!’

Iris de Graaf

 

De auto begint te slingeren. Anneke legt haar hand over de klip waarin haar gordel vast zit. Voor haar draait haar vader alle kanten uit met het stuur, naast haar ligt haar broertje te slapen.
‘Pa, voorzichtig!’ roept ze, maar haar vader hoort haar niet. Op dat moment glijdt de auto van de weg, de berm in. Recht op een boom af.
Anneke gilt.

Zwetend wordt ze wakker. Wat een nachtmerrie. Gelukkig was het niet echt. Met een diepe zucht slaat Anneke de dekens van zich af en loopt naar de badkamer om wat water te drinken.

De volgende dag is Anneke haar droom alweer vergeten. Na ontbeten te hebben met haar vader en broertje gaat ze naar buiten. Daar ziet ze haar overbuurmeisje, een schattig meisje met een palmboomstaartje op haar hoofd. Ze zwaait en het meisje komt naar haar toe.
‘Hoi Annie, kom je spelen?’ vraagt Eileen.
‘Ja hoor, de vakantie is nog niet voorbij.’

Een uur lang speelt Anneke tikkertje, verstoppertje en bakkerijtje met Eileen, tot het meisje binnengeroepen wordt.
‘Ik kom mammie,’ roept ze en zonder op of om te kijken rent ze de straat op...
‘Nee!’ gilt Anneke. Ze holt Eileen achterna en grijpt naar haar arm. Mis!
Daar staan ze, midden op de weg, met een vrachtwagen op hen afdenderend.
‘Mammie! Maaam!’ gilt Eileen in doodsangst.
‘Meisje! Oh, mijn dochtertje. Help toch!’
Anneke denkt niet meer na, haalt opnieuw uit en voelt Eileens armpje in haar hand. Dan zet ze zich af om weg te duiken.
Haar voeten komen los van de grond.
En daar gaan ze, Anneke en Eileen, de lucht in.
Maar niet recht de bosjes in, waar Anneke op gegokt heeft.
Nee, ze gaan recht naar... de wolken!
Langzaam opent Anneke haar ogen en daar vliegt ze, vlak boven de vrachtwagen. Met de kleine Eileen achter zich aan. Het meisje heeft de oogjes gesloten en haar hoofdje hangt slap.
‘Wat gebeurt er?’ stamelt Anneke.
Langzaam beginnen ze te dalen en met een plof staan ze dan in de tuin van Eileens moeder.
Deze sluit haar dochtertje in haar armen en laat haar tranen de vrije loop. ‘Het is een wonder, gewoon een wonder,’ snikt ze.
‘Nee, mammie, het was Anneke,’ murmelt Eileen.
‘Meisje, je ziet spoken, maar dat is niet vreemd na zo’n ervaring. Anneke is vorige week omgekomen in Frankrijk...’

Het lijkt of Anneke een bons in haar gezicht krijgt. Dood? Zij?
Maar dan voelt ze een hand op haar schouder. Het is haar een paar jaar geleden overleden moeder. ‘Goed gedaan, meisje. Kom nu maar mee, je vader en broertje wachten op ons.’

Rianne Wijmenga

Zachtjes lopend, om de rest van de camping niet wakker te maken, liep ik voorzichtig over het grindpaadje. Het grind knarste onder mijn voeten. De wind maakte een angstaanjagend einde aan deze tot nu toe kalme dag. Ook al was het 12 uur ’s nachts, de sterren waren helder. De volle maan stak af tegen de donkere lucht. De paadjes waren zwak verlicht. Het gaf een spookachtig schijnsel. Ik moest denken aan het tafeltennissen. We waren vandaag net aangekomen op de camping. Volgens mijn vader, die anders nooit gelijk had, kon je door middel van tafeltennissen vrienden maken. Dat was wel gelukt. Paul en… en die ogen! Donkerblauwe ogen waarin je eindeloos kon verdwalen. Ik moest zuchten toen ik eraan dacht hoe hij mij een tedere kus op mijn wang gaf toen ik besloot te gaan. Omdat het de eerste dag was mocht ik niet langer dan tot 12 uur buiten blijven. Alsof ik niet op mezelf kon passen. Nou ja, het was een leuke tijd geweest en morgen…
Een harde gil doorbrak plotseling mijn gedachten. Ik schrok wakker en besefte niet meteen waar ik was. Ik zag om me heen caravans. Allemaal leeg, allemaal donker. Ook de straatlantaarns gaven geen enkel licht meer. Het was stil, het was donker, en ik was verkeerd gelopen. Ik vloekte, stom om meteen de eerste dag al te verdwalen. Ik haalde mijn schouders op en besloot verder te lopen. Plotseling zag ik rechts vanuit mijn ooghoeken iets bewegen. Ik draaide onmiddellijk mijn hoofd om en zag een paar meter van mij vandaan licht. Daar zou het echte pad wel weer beginnen dacht ik en ik stak het grasveldje over. Daar stond een oude caravan waarvan het wit-gekleurde dak rottend bruin was geworden. En de lucht die daar vandaan kwam was gewoon afschuwelijk. Met een versnelde pas liep ik langs het raampje dat halfopen stond. Ik voelde plotseling dat ik niet alleen was. Ik keek naar rechts en ik keek midden in 2 reusachtige bloeddoorlopen gele ogen. Die ogen doorboorden mijn netvlies en ik kon me niet meer verroeren. Grote ogen die dichter en dichterbij kwamen. Ik wou schreeuwen, geen reactie zeiden mijn hersenen. Ik wou wegrennen, geen reactie. Het was een geest die langzaam met zijn ogen mijn lichaam overnam… Ik zal voor altijd hier blijven bij de caravan die er in de volle maan nog beangstigend uitzag.

Janneke Ruiter

 

 

liefde
wil je?
wil je met mij?
wil je met mij verkering?
wil je met mij verkering hebben?
wil je met mij verkering?
wil je met mij?
wil je?
verkering

Florien Petersen

Oma

‘Zeg hallo, moet die wc nog gebouwd worden of zo? Misschien is het je ontgaan, maar we hebben over vier minuten een verschrikkelijk moeilijk geschiedenisproefwerk dat vier keer meetelt!’
Michelle gaf een harde bons tegen de wc-deur. ‘Hallo, is daar iemand? Je weet hoe moeilijk Zwijntje doet als je te laat binnenkomt.’
‘Ja, ja,’ klonk een zwakke stem vanachter de deur. ‘Ga maar alvast, ik kom er zo aan, echt.’
‘Oké, als jij het zegt,’ klonk Michelles stem nu wat verslagen.
Suzy hoorde hoe haar vriendin de meisjes-wc verliet, gevolgd door het galmende geluid van de dichtvallende deur. Met haar mouw veegde Suzy haar betraande gezicht droog. Ze haalde diep adem en keek wat in het rond. Niet dat er veel te zien was in het krappe wc-hokje, maar wat afleiding kon ze wel gebruiken. Het was gisteren precies een jaar geleden dat oma was overleden. Suzy miste haar verschrikkelijk en had weer veel moeten huilen. Stiekem natuurlijk, want haar moeder had het er al moeilijk genoeg mee. Daarom had Suzy haar gisteren ook extra verwend. Zo had ze gekookt, de vaat gedaan en koffie gezet. Haar moeder had nog gevraagd of ze echt geen huiswerk had, maar Suzy had beweerd van niet. Dat stomme geschiedenisproefwerk kon wel even wachten.
Na de koffie was Suzy ongemerkt naar boven gesneld om te leren, maar ’s ochtends bleek dat ze huilend boven haar boeken in slaap was gevallen.
En daar zat ze dan; met rode ogen op een tochtige wc zich voor te bereiden op een één waar haar moeder absoluut niet blij mee zou zijn. ‘Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog’, wat was dat dan ook voor onderwerp?!
’Dat is anders mijn specialiteit, hoor,’ hoorde Suzy ineens iemand zeggen. Ze schrok zich rot, maar verroerde geen vin. ‘Je opa en ik hebben die tijd heel bewust meegemaakt,’ ging de stem verder.
‘O… oma?’ probeerde Suzy heel voorzichtig.
‘Luister kindje, als jij in het vervolg wat meer aan jezelf denkt en begrijpt dat ik nog steeds bij jullie ben, wil ik tijdens dat proefwerk van jou best een onzichtbaar handje helpen.’
‘M… maar…’
‘Eerst je proefwerk, liefje, daarna kletsen we nog wel even bij. Maar maak voort, want ik heb nog maar een uurtje.’
Suzy stoof de wc uit, rende naar het geschiedenislokaal en stuiterde nog net op tijd de klas binnen. Zo’n dode oma was zo gek nog niet.

Linda Rijpert

Alleen

Ik zit in mijn kamer, alleen. Buiten tikt de regen tegen de ramen. Ik ben helemaal alleen, mijn vader en moeder zijn overleden, Geen familie waar ik contact mee heb. Volgende week ben ik jarig, maar ik weet niet wat ik moet doen. Ik krijg nooit cadeaus, van wie zou ik ze moeten krijgen, geen vrienden, geen kennissen, helemaal alleen.
Ik ga naar de keuken en ik kook water voor thee. Met een warme kop thee ga ik naar mijn kamer, terwijl ik de thee drink denk ik: ik wil iets doen, iets doen met mijn verjaardag. Ik wil een keer cadeautjes, ik heb een plan, een plan om cadeautjes te krijgen.
Ik pak pen en papier en begin te schrijven.

Uitnodiging, Groot feest, iedereen mag komen, kom niet alleen

Ik stop met schrijven en denk: moet ik dit wel doen? Er komt toch niemand. Toch ga ik verder.

Aankomende Zaterdag, in mijn huis, Leliestraat 18
PS: neem eigen muziek mee

Ik zet de computer aan en terwijl de computer start pak ik nog een kop thee. Ik ga achter de computer zitten. Buiten tikt de regen nog steeds tegen de ramen. Ik kijk naar het beeldscherm. Ik twijfel, zou ik het wel doen? Ik doe het.
Ik typ de uitnodiging. Ik print de uitnodiging 50 keer uit.
Als ik 50 mensen uitnodig, komen er misschien 15, van die 15 mensen hebber er misschien 3 een cadeau bij zich en van die 3 is er misschien 1.. 1 die mijn vriend wilt zijn...
Ik trek mijn jas aan en ga naar buiten de regen in. Ik wandel wat. Dan begin ik willekeurig uitnodigingen bij mensen in de bus te doen. Als ik geen uitnodiging meer heb, loop ik terug naar huis.
Langzaam gaat de week voorbij. Ik wacht, ik wacht op het weekend. Ik koop vast spullen voor het feest; eten en drinken.
De nacht van vrijdag op zaterdag kan ik niet slapen. Ik kijk op de wekker: 12 uur s’nachts. Ik kijk opnieuw op de wekker: kwart over 4. Blijkbaar heb ik toch geslapen.
Ik sta op en ga douchen. Ik kleed me aan en ga naar de keuken. Ik zet thee. Ik pak een kop thee en ga op de bank zitten. Ik wacht. Het is helemaal stil, ik ben helemaal alleen.
Dan hoor ik de bel. Ik ga naar de deur en doe hem open. Voor mijn deur staan twee mensen, ene man en een vrouw. Ze hebben allebei een cadeau bij zich, die geven ze aan mij.
Ze komen binnen en ik vraag of ze thee willen. Ze zeggen niks maar gaan op de bank zitten.
Ik vraag me af wat ze gaan doen. Eerst zijn ze stil. Opeens beginnen ze een druk gesprek. Ik kan het niet volgen. Het gaat over voetbal, iets waar ik niks van begrijp.
Ik heb de cadeaus nog steeds vast. Ik pak er 1 uit. Er zit een CD in, die leg ik weg. Ik pak het andere cadeau uit, er zit een boek in.
De titel van het boek is: Alleen op de wereld.

KJ van ’t Klooster

‘Pap’

Ze loopt de straat in. 5 meter voor de ingang van hun flatgebouw blijft ze staan. Mensen achter haar botsen tegen haar op. Vol ongeloof kijkt ze naar de man voor hun flatgebouw. Hij is terug, denkt ze als ze weer bij haar positieven komt. Ze rent op hem af. Hijgend staat ze voor haar vader stil. ‘Pap’ zegt ze en kijkt hem blij aan. Maar hij ziet haar niet. Hij staart naar het flatgebouw en als zijn ogen haar eindelijk in de gaten krijgen glijden zijn ogen rustig, alsof hij staart, over haar heen. Hij zegt niet eens wat! ‘Pap!’ Herhaalt ze nog een keer, maar het schijnt niet tot hem door te dringen. Hoewel ze zeker weet dat hij naar haar kijkt lijken zijn ogen door haar heen te gaan. Voorzichtig probeert ze hem aan te raken in de hoop zijn trance te door breken. Maar het gaat niet, haar vingers glijden door hem heen. Woedend en angstig tegelijk roept ze: ‘Papa wat is er? Doe iets zeg iets!!’
Opeens glimlacht haar vader. Met zijn zachte, rustige stem zegt hij verbaast: ‘Je ziet me, hè? Ja je ziet me, je praat zelf tegen me, kun je me ook verstaan?’ Verbaasd staat Annemé naar hem te kijken. ‘Wat is er? Waar heb je het over? Wat doe je raar!’
‘Schat, het is niet wat het lijkt. Ik ben niet terug voorgoed. Ik ben tijdelijk teruggekomen om te kijken hoe het gaat. Ik wist niet dat je me zou kunnen zien. Wat je ziet is ook alleen mijn geest, mijn lichaam is verloren gegaan bij de brand, dat weet je. Maar mijn ziel is er nog.’ ‘Wat? Ik dacht dat je terug was. Ik hoopte...’

Joyce van den Hof

‘Ik wou dat we hier alle kamers konden zien,’ zuchtte Seppe. Zijn handen omklemden de tralies van de deur. Achter die deur was een kort gangetje. Er stonden twee doodskisten in dat gangetje. Een koude rilling liep langs mijn rug omlaag. Deze plek bezorgde me kriebels.
Het was hier doodstil, koud en donker. Vele mensen waren hier in dit fort gestorven. Misschien was ik de enige die voelde hoe deze plaats angst en verdriet uitstraalde. Misschien was dat het wel wat mij zo’n slecht gevoel gaf. Ik haakte snel mijn arm in die van Caroline en samen volgden we de vier anderen die kost wat kost nog eens een kijkje wilden nemen in de folterkamer. Opnieuw kreeg ik een koude rilling. Het leek wel alsof iets me wilde waarschuwen of mijn aandacht wilde trekken. Nee, dat kon niet. Ik beeldde me maar iets in. Toch besloot ik dicht bij Caroline te blijven. We zeiden niets. Af en toe glimlachten we wel
even naar elkaar, maar daar bleef het bij. Het smalle gangetje met witte muren was gevuld met een oranjebruin licht dat van die enkele gloeilampen kwam, die netjes in een rij aan het plafond hingen. In de folterkamer zelf was het donkerder. Er stonden nog speeltjes van de nazi’s. Mensen hadden pijn en doodsangsten gehad in deze kamer.
‘Er loopt hier een man rond,’ hoorde ik Severine fluisteren. Liestbeth liet een sarcastische ‘oh ja?’ horen.
Ik stond vlakbij hen. Severine keerde zich naar mij toe en zei dat ze echt een man had zien rondlopen. Een geest? Mijn hart ging sneller slaan. Het zou me niet verwonderen hier een geest tegen te komen. Maar kon het echt? Misschien was hij het wel die mijn aandacht wilde trekken. Ik zag hem al voor mij: bleek, ingevallen wangen, ogen die ver in hun kassen lagen, graatmager, zijn blauw-wit gestreepte gevangenenpakje met gaten er in. Ik staarde voor me uit naar dat ene foltertuig dat er nog stond. Hij was waarschijnlijk daaraan gestorven of van de honger of in de gaskamer.
‘Ik wil die man wel eens zien,’ grinnikte Liesbeth en greep Severine bij de hand. Liesbeth was niet de enige die een vurige wens had om hem te zien. Oog in oog staan met een geest was mijn grote droom. Ik kreeg er de kans nu toe en zou die kans met beide handen
vastgrijpen. Ik volgde de twee giechelend van de schrik. Mijn hart klopte intussen als een gek in mijn borstkas. We liepen door het kleine gangetje om uiteindelijk terug op de hoofdgang te komen.
‘En waar is ‘uwe chou’ nu?’ lachte Liesbeth en keek ons allebei met pretlichtjes in haar ogen aan. Haar woorden waren nog niet weggestorven toen zowel Severine als ik hem zagen. Ik schrok. Bijna gilde ik, maar gelukkig bleef de gil ergens in mijn keel steken. Ik zette een stap naar achteren. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hoe Liesbeth geschrokken Severines hand vastgreep. Voor ons stond een gezette man van middelbare leeftijd met kort, grijs haar en tot mijn grote ontgoocheling was hij een mens van vlees en bloed. Aan zijn broeksriem hing een walkie-talkie. Een bewaker. Hij stak een bundeltje papieren omhoog. Het was hetzelfde bundeltje dat ik in mijn handen hield, een vragenlijst van de leerkracht geschiedenis.
‘Is dit van iemand van jullie?’ vroeg hij en wapperde met het bundeltje. Alle drie schudden we onze hoofden. We zeiden geen woord en keken toe hoe de man het bundeltje in zijn binnenzak stak en zonder nog iets te zeggen wegwandelde.

Kathleen

 

© 2005 Lemniscaat - club@lemniscaat.nl