COLUMN
Wij hebben rood
behang
Wij hebben rood behang. Met roze bloemetjes.
De bloemetjes op ons behang zijn zo klein dat het stipjes lijken.
Maar het zijn bloemetjes.
‘Nog even in bad,’ zegt ze. ‘Of is dat
gek?’
‘Vergeet je minidisk niet,’ zeg ik.
Wij hebben die bloemetjes er zelf op geschilderd. Je kunt
met je vinger voelen dat het bobbeltjes zijn. Het is plakkaatverf.
‘Nog één keer in bad? Heb jij het niet
koud?’
‘En de foto’s,’ zeg ik.
Ze kijkt naar haar koffers bij de deur. ‘De foto’s.
Ja.’
We hebben lang getwijfeld of het plakkaatverf moest zijn
of acrylverf. We hebben gekozen voor plakkaatverf. Het was een
goeie keus. Het bladdert nergens. Ik zou iedereen willen aanraden
plakkaatverf te gebruiken voor bloemetjes op behang.
‘Plus twee jaargangen Elle,’ zeg ik.
‘Die zijn van jou.’
Ik hoor mezelf knipperen.
‘Dacht je van niet?’ Er zit lippenstift op haar
kin.
‘Nooit gelezen,’ zeg ik.
‘Ik ook niet.’
We hebben hele dunne kwastjes gebruikt. In het midden van
ieder bloemetje zit een klein wit puntje. We zijn nergens uitgeschoten.
‘Moeten we nu niet lachen?’ Ze staat midden
in de kamer. ‘En dat we dan opgelucht zijn?’
‘Ga gewoon,’ zeg ik. ‘Alsof het een normale
dag is.’
‘Nog één kopje koffie.’ Ze schuift
mijn benen opzij. Mijn hielen bonken op het parket.
Vierduizend bloemetjes op iedere muur. Vier keer vierduizend
is zestienduizend, min de deur dus min vijfhonderd. Dat zijn
vijftienduizendvijfhonderd roze bloemetjes op rood behang.
‘Jij zet koffie,’ zegt ze. ‘Voor ons.
Alsof het een normale zondag is.’
Ik veeg de lippenstift van haar kin. ‘Het is dinsdag.’
Rood en roze, dat vloekt. Dat is zo. Dat weet iedereen.
Maar je raakt aan die dingen gewend. Je gaat het mooi vinden.
Ik vind ons behang mooi. Ik vind dat wij mooi behang hebben.
‘Nog even op de bank zitten,’ zegt ze. ‘Nog
even met koffie op de bank.’
‘Je boeken,’ zeg ik.
‘Heb ik al.’
‘Nog even in bad of is dat gek vergeet je minidisk niet
nog één keer in bad heb jij het niet koud en de
foto’s de foto’s ja plus twee jaargangen Elle die
zijn van jou dacht je van niet nooit gelezen ik ook niet moeten
we nu niet lachen en dat we dan opgelucht zijn ga gewoon alsof
het een normale dag is nog één kopje koffie jij
zet koffie voor ons alsof het een normale zondag is het is dinsdag
nog even op de bank zitten nog even met koffie op de bank je
boeken heb ik al dus misschien wordt het tijd voor een therapietje?’
Ze lacht.
Wij hebben rood behang met vijftienduizendvijfhonderd roze
bloemetjes.
Ze lacht.
‘Ga je naar je ouders?’ vraag ik.
‘Wil je de kachel iets hoger zetten?’
Ik krab een bloemetje van ons behang.
Dat zijn dus vijftienduizendvierhonderdnegenennegentig roze
bloemetjes op rood behang. En één kaal plekje.
‘Doe je jas aan.’ Ik pulk aan de roze verf
onder mijn nagel. ‘Alvast.’
Ik vind dat wij mooi behang hebben. Wij hebben rood behang
met vijftienduizendvierhonderd-negenennegentig roze bloemetjes
en één kaal plekje.
Ze kijkt me aan. ‘Alsof je me weg
-’
‘Alsof het mijn idee was.’
Laura Broekhuysen
Laura Broekhuysen debuteerde vorig jaar bij Lemniscaat
met Zand erover. |